Motivatie, hoe zit dat?

Het is een veelvoorkomende klaagzang bij muziekverenigingen: ‘ja, die jeugd van tegenwoordig die wil niet meer studeren om goed op een blaasinstrument te leren spelen. Ze willen alles gelijk kunnen en dat gaat niet… De jeugd van tegenwoordig heeft geen doorzettingsvermogen meer.’ 

Maar… is dat wel zo? Ik hoor kinderen toch regelmatig gepassioneerd vertellen over een spel waar ze helemaal in zitten en waarvoor ze tot het uiterste gaan om verder te komen.. Dus dan denk ik: ‘die jeugd van tegenwoordig, die heeft best doorzettingsvermogen!’ 

Maar de muzieklessen zoals we (ja, ik ook) die vroeger kregen, die sluiten niet zo goed meer aan bij de belevingswereld van kinderen en jongvolwassenen. Daarom probeer ik in mijn lessen niet meer per se uit te gaan van een bepaalde methode, maar probeer ik leerlingen te coachen/begeleiden op hun ontdekkingstocht door de wondere wereld van de muziek. 
Ik schrijf expres ‘hun ontdekkingstocht’ want ik ben ervan overtuigd dat iedere muzikant, jong of oud zijn eigen weg aflegt. En als je hen daarin steunt en begeleidt als docent/coach, dan zit het met dat doorzettingsvermogen wel goed!
Wil je daarover eens met mij van gedachten wisselen? Neem gerust contact met me op!

De maand februari zal op mijn website en social media kanalen in het teken staan van motivatie!

Deze week behandel ik de vraag: hoe werkt motivatie eigenlijk?

Motivatie is de wil om iets te leren of iets te doen. Gemotiveerde mensen zijn erg nieuwsgierig, betrokken en niet bang voor een moeilijke uitdaging. Motivatie kan je opdelen in twee groepen; intrinsieke en extrinsieke motivatie. Bij deze twee soorten zit er een verschil in de bron. Intrinsieke motivatie heeft een interne bron, uit een persoon. De mens motiveert zichzelf zonder een bron van buitenaf. Bij extrinsieke motivatie is er sprake van een externe bron. Dit kan bijvoorbeeld een beloning zijn; als ik nu goed oefen, krijg ik straks een zakje chips.

Motivatie wordt bepaald door bepaalde prikkels, dit zijn invloeden uit het milieu op de mens. Prikkels ontstaan doordat in zintuigcellen (receptoren) impulsen ontstaan, de zenuwcellen (conductoren) geleiden en verwerken deze impulsen en zorgen dat er een reactie (respons) ontstaat. Er zijn twee soorten prikkels interne prikkels, afkomstig uit het lichaam, en externe prikkels die afkomstig zijn uit het milieu. Als minimaal één van deze prikkels heel sterk aanwezig is, kan het gedragssysteem al in gang gezet worden en kan er een handeling worden verricht. 
Er wordt ook nog onderscheid gemaakt tussen een sleutelprikkel en een supranormale prikkel. De sleutelprikkel speelt de doorslaggevende rol bij het veroorzaken van een bepaald gedrag. Een supranormale prikkel is een prikkel die een nog sterker gedrag opwekt dan de sleutelprikkel, deze prikkel is dus effectiever.

Hoe goed een persoon presteert en reageert op prikkels is allemaal geregeld in de manier van denken. Personen die afgaan op intelligentie-beoordeling zijn minder gemotiveerd om hun best te doen en zullen sneller opgeven bij een moeilijke taak, omdat ze denken dat de intelligentie niet verbeterd kan worden. De personen die geloven in het harde werken, zullen sneller blij zijn met een moeilijke taak en zullen niet snel voelen dat ze hebben gefaald als iets mislukt.
Intelligentie wordt onderverdeeld in uitgekristalleerde intelligentie (kennis) en vloeiende intelligentie (redeneervermogen). Mensen met een goed redeneervermogen zijn in staat om informatie sneller te verwerken en worden minder snel afgeleid, zij zullen dus snel nieuwe dingen leren en gemotiveerder zijn dan andere.


Er zijn verschillende motivatietheorieën:
Als eerst hebben we de Piramide van Maslow. Het idee van deze piramide is dat een mens als eerst zal proberen de behoefte onderaan de piramide waar te maken en zich vervolgens omhoog werkt. 
Ten tweede hebben we de Verwachtingstheorie. Dit is de formule: motivatie = verwachting x beloning x waarde. Met ‘verwachting’ wordt de mate waarin een mens verwacht dat een handeling succesvol zal verlopen bedoeld. Met ‘beloning’ wordt hier bedoeld wat de mens als voordeel ziet bij de taak. ‘Waarde’ geeft aan hoe belangrijk het wordt gevonden. 
Ten derde is er de Attributietheorie, bij deze theorie hangt motivatie samen met attributies; hier wijden mensen hun succes of falen aan toe. Je kan dit onderscheiden in interne en externe attributen. Bij interne attributen ligt het meestal bij de persoon zelf, bij externe attributen wordt vaak de ‘schuld’ bij een ander persoon  neergelegd.
Vervolgens is er de Flowtheorie. Met ‘flow’ wordt bedoeld dat iemand helemaal opgaat in een activiteit waar hij of zij mee bezig is. Er is vooral ‘flow’ aanwezig wanneer een persoon het gevoel heeft dat hij of zij het aan kan en de taak niet hoog gegrepen is. 
Als laatst hebben we de Zelfdeterminatietheorie, hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie.

Zo, dat was een brok theorie! Volgende week zal ik schrijven over de rol van de docent/coach voor de motivatie van een leerling.